| Napels bloed maken |
![]() |
![]() |
Datum: Maart 2006, Mei 2006, Januari 2007, November 2007
Principe:
Een thixotrope gel maken mbv ijzerchloride en calciumcarbonaat
Materiaal:
|
|
Uitvoering:
Het maken van Napels bloed volgens de
formulering
Het uittesten van de beste zoutkeuze
|
Resultaten:
| Het maken van Napels bloed volgens de formulering (Maart 2006) | ||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
Het uittesten van de beste zoutkeuze (Mei 2006) |
|
![]() |
|
|
Klaarmaken van de gels. |
Na het toevoegen van zout is duidelijk te zien dat het KCl een afwijkende kleur geeft en dat de soda meer een smurrie geeft dan een gel. |
|
|
![]() |
| 260506 - 14:26 h | 260506 - 14: 28 h |
| Al snel zien we dat op de KCl na de gels hun thixotrope eigenschappen gedeeltelijk kwijtraken. | |
|
|
|
| 260506 - 17:54 h | 260506 - 17:54 h |
|
|
|
| 260506 - 19:44 h | 260506 - 19:44 h |
![]() |
![]() |
| 270506 - 08:31 h | 270506 - 08:32 h |
![]() |
![]() |
| 290506 - 14:24 h | 290506 - 14:25 h |
|
|
![]() |
| 310506 - 19:17 h | 310506 - 19:18 h |
| Ook na 5 dagen behoudt de gel waaraan KCl is toegevoegd de goede thixotrope eigenschappen, terwijl de andere gels een lagere stabiliteit laten zien. | |
|
|
Op 7 januari 2007 de KCl gel weer gecontroleerd. Deze werkt nog steeds perfect. |
Discussie en conclusie:
Elk jaar rond 19 september vindt er in de kathedraal van Napels een zogenaamd wonder plaats. Het bloed van St. Januarius (gestorven 305), dat in een speciale reliekhouder zit, wordt omhooggehouden. Als het 1600 jaar oude bloed weer vloeibaar wordt kunnen de Napelezen gedurende een jaar weer opgelucht ademhalen. Tijdens een processie in 1389 heeft dit wonder zich voor de eerste keer voltrokken.
De Italiaan Luigi Garlaschelli vroeg zich af of er ook een meer wetenschappelijker verklaring was. Een van de aanwijzingen die hij had was dat het vloeibaar worden van het bloed ook werd waargenomen als er bv reparatiewerkzaamheden werden uitgevoerd. Dit bracht hem op het idee om naar een stof te zoeken die zowel vloeibaar als vast konden zijn, de zgn. thixotrope gels. Hij ging ook uit van de gedachte dat hij alleen materialen mocht gebruiken die in die tijd ook relatief makkelijk verkrijgbaar waren (15de eeuw).
De chemische reactie die hier plaatsvindt is
niet echt complex.
IJzerchloride zelf is zuur door de autoprotolytische eigenschappen van het
ijzer-ion:
Deze autoprotolyse evenwichts reactie verloopt aflopend als we het zuur neutraliseren door het bv met calciumcarbonaat te laten reageren volgens:
CaCO3
(s) <=>
Ca2+ + CO32-
CO32-
+ H3O+
<=>
HCO3- + H2O
HCO3-
+ H3O+
<=>
H2CO3 + H2O
H2CO3
<=>
H2O + CO2 (aq)
CO2
(aq)
<=>
CO2 (g)
Uiteindelijke maken we op deze manier het rood-bruine ijzer(III)hydroxide.
De volgende stap is het zuiveren van de oplossing is door het ijzerchloride dat niet gereageerd heeft en het calciumchloride dat gevormd is te verwijderen mbv dialyse.
De aantoningstest voor ijzer is in feite het
maken van het pigment "Pruisisch blauw", volgens:
4Fe3+ + 4[Fe(CN)6]4- --> Fe4[Fe(CN)6]3.xH2O
(x=14-16)
Een en ander staat beschreven in: Synthese van Pruisisch blauw
Na het toevoegen van zout krijgen we de thixotrope gel.
Thixotropie is de eigenschap van bepaalde mengsel om bij mechanische belasting plotseling van een viskeuze toestand (gel) naar een vloeibare vorm (sol) over te gaan. Een bekende thixtrope gel is tomaten ketchup. Als je het staan laat wordt deze vast, om het weer vloeibaar te maken moet je de fles schudden of erop slaan. Ook bij verven wordt dit principe toegepast. Een verf wordt dunner als je erin gaat roeren. Thixotropie ontstaat doordat de moleculen een netwerk van waterstofbruggen vormen die sterk genoeg zijn om de bulk van het materiaal te ondersteunen als deze geleerd, maar die in elkaar stort als er druk op uitgeoefende wordt of aan een schok blootgesteld wordt.
Volgens Garlaschelli bepaald de hoeveelheid zout die men toevoegt hoe snel de gel uithard. Als teveel zout wordt toegevoegd dan zal de gel zich snel zetten en moeilijk vloeibaar te maken zijn.
Bij de documentaire "Blood Miracle" heb ik Garlaschelli horen vertellen dat de op deze manier gemaakte gel niet onbeperkt houdbaar is. Na verloop van tijd ontstaat in de gel een evenwicht waarbij de eigenschappen verschillen tov de originele. Meestal hard de gel niet meer zo goed uit en wordt dan ook niet meer zo mooi vloeibaar. In dat geval kan men een klein beetje zout toevoegen waardoor de gewenste eigenschappen weer hersteld worden.
Dat de op deze manier geproduceerde thixotrope gel niet stabiel is wijst op een wezenlijk verschil met de gel in het relikwie. De eigenschappen daarvan zijn al enkele eeuwen stabiel.
Aangezien ik echter niet in wonderen geloof begon ik me af te vragen of de keuze van het type zout niet een belangrijke factor zou zijn die de stabiliteit van de gel bepaald., op zich is dat een bekend fenomeen in de oppervlaktechemie. Daarom heb ik een experiment opgezet waarin ik testte of een andere zout keuze inderdaad een stabielere gel zou leveren. Zoals de experimenten hierboven laten zien is dat inderdaad het geval. Van de geteste zouten NaCl, NH4Cl, Na2CO3 en KCl, levert KCl een veel stabielere gel op dan NaCl. Ook na enkele maanden is deze gel nog stabiel.
Op 21 november vond ik onderstaan bericht in mijn gastenboek dat ik met veel plezier aan dit experiment toevoeg. Een waardevolle aanvulling.
| 21-11-2007 -
17:41 Beste heer Herold Met veel interesse nam ik kennis van het talrijke aantal zorgvuldig uitgewerkte proeven op uw site. Als aankomend leraar scheikunde is hier ook voor mij voldoende nieuws te vinden! Ik heb een kleine opmerking c.q. aanvulling op de "Napels Bloed"-proef. Ik heb deze proef ook uitgevoerd, in vier uitvoeringen: FeCl3.6H2O met CaCO3 (zoals beschreven); FeCl3.6H2O met NaHCO3; FeCl3 met CaCO3 en FeCl3 met NaHCO3 - hierbij steeds de molverhouding Fe en base gelijk houdend (dus twee keer zoveel HCO3-ionen als CO3-ionen). Het experiment is nog gaande, maar het viel mij op dat de combinatie FeCl3/CaCO3 al na enkele uren een gel geeft, zonder dialyse of (zoals elders wel vermeld wordt) overnacht uitdampen op een kristalliseerschaal. Geen moeilijk gedoe dus met dialyseslangen o.i.d. en daarmee voor schoolpractica misschien wel net zo handig! Hartelijke groeten, M.R. ten Breteler |
Opmerkingen:
Literatuur:
Relevante websites:
Minder relevante websites:
Achtergrondinformatie:
Dialyse:
Het gebruik van een membraan zoals
een semi-permeabel dialyse membraan is in feite een extractiemethode. Het
membraan fungeert als scheidingswand tussen twee fases en als selectiemiddel
voor het al dan niet doorlaten van deeltjes. Bij een dialysemembraan scheiden we
grote moleculen van kleine moleculen, voor het ontzouten van oplossingen van
grote moleculen en voor het concentreren van ionen. Klassiek dialyse is
makkelijk uit te voeren. Het membraan heeft de vorm van een slang of zak, waarin
zich de te behandelen oplossing bevindt. Het geheel wordt geplaatst in een
medium waarmee de binnenvloeistof stoffen uitwisselt tot zich een evenwicht
heeft ingesteld. Als het concentratieverschil tussen binnen- en buitenmembraan
klein is, verloopt de dialyse traag. Het nettotransport van de moleculen door
het membraan is een diffusieproces.
Waterstofbruggen:
Waterstofatomen worden aangetrokken door andere atomen zoals zuurstofatomen,
aangezien elektronen van het waterstofatoom sterker naar het zuurstofatoom
worden getrokken, dit komt door de grotere aantrekkingskracht van het
zuurstofatoom voor elektronen. Als gevolg hiervan hebben zuurstofatomen
gedeeltelijk een zeer lichte negatieve lading, terwijl waterstofatomen een
gedeeltelijke, zeer lichte positieve lading hebben. De licht positief geladen
waterstofatomen worden daarom aangetrokken tot de licht negatief geladen
zuurstofatomen van andere watermoleculen. Deze aantrekkingskrachten worden
waterstofbruggen genoemd. De krachten die twee moleculen via een waterstofbrug
met elkaar verbinden, zijn veel sterker dan de krachten tussen
koolwaterstofmoleculen onderling. Door deze aantrekkingskracht tussen waterstof-
en zuurstofatomen heeft water een veel hoger kookpunt dan een ander molecuul met
dezelfde massa. Waterstofbruggen kunnen ook gevormd worden tussen waterstof en
zwavel- of stikstof (SH-R en NH2-R).

Waterstofbruggen
05-03-2008