| Zuurstofgehalte in lucht bepalen en oxidatie kinetiek bestuderen (Coachlab) | ![]() |
![]() |
Datum: Maart 2006
Principe:
Het zuurstofgehalte in lucht bepalen door staalwol te laten oxideren in een afgesloten ruimte en de drukverlaging te meten. De zo verkregen curve kan men kinetisch analyseren.
Materiaal:
|
|
Uitvoering:
|
|
|
|
|
Resultaten:
Alle data en bewerkingen zijn te vinden in de excel file: resultaten.xls
|
||||||||
Discussie:
Zuurstofgehaltebepaling
| Bij een oxidatieproces vormt zich een oxide laag aan het oppervlak van het metaal. Bij metalen zoals ijzer wordt het metaal volledig met een oxidelaag bedekt. In principe is dan verdergaande oxidatie alleen mogelijk door diffusie van zuurstofionen door de oxidelaag naar binnen of van metaalionen en elektronen naar buiten (vanwege de elektroneutraliteit zullen ook de elektronen diffunderen). Ook als het zuurstofrooster foutloos is zullen er toch nog zeer veel niet bezette roosterplaatsen (vacatures) op de metaalplaatsen zijn. Bij de oxidatie van ijzer worden twee- en drie-waardige metaalionen vormt. Aangezien beide ijzer-ionen stabiel zijn ontstaan er vacatures in het metaalrooster hetgeen de diffusie van ionen en elektronen vergemakkelijkt met als gevolg dat ijzer sneller oxideert dan bv Nikkel. |
|
Desalniettemin kunnen we de chemie in dit experiment redelijk eenvoudig weergeven. Het ijzer in het staalwol reageert met de zuurstof in de lucht volgens: 2Fe(s) + 3O2(g) --> Fe2O3(s). Door de reactie in een afgesloten buis uit te voeren kunnen we bepalen hoeveel zuurstof er met het ijzer reageert. We behandelen het staalwol met azijnzuur om de reactie op gang te brengen, we etsen als het ware het oppervlak.
Op basis van de experimenten met het verse staalwol vinden we een zuurstofgehalte van 20.4 %.
Het zuurstofgehalte in de lucht is echter afhankelijk van de luchtdruk en van de relatieve luchtvochtigheid. Het zuurstofgehalte in lucht van 20,9 is geldt voor een luchtdruk van 101.3 kPa en in droge lucht (RH = 0%). Voor een nauwkeurige zuurstofconcentratiebepaling moet het getal gecorrigeerd worden.
Indien de luchtvochtigheid bekend is van de plek waar de meting plaatsvindt kan deze gecorrigeerd worden met behulp van onderstaande tabel.
| Relatieve luchtvochtigheid (RH) | Zuurstofconcentratie (vol%) |
| 0% 25% 50% 75% 100% |
20,9 20,7 20,5 20,3 20,1 |
Nu hebben we jammer genoeg de
relatieve luchtvochtigheid niet gemeten tijdens ons experiment. Het gaat wat dat
betreft echter om de relatieve vochtigheid in de omgevingslucht en die kunnen we
gewoon bij het KNMI opvragen. Op 11 maart was dat bij Schiphol 81%. Hetgeen
betekent dat we een zuurstofgehalte van 20.2 % kunnen aannemen. De variatie van de zuurstofconcentratie is
echter ook rechtevenredig met de
luchtdruk.
Dit effect kan vervolgens verrekend worden met de volgende
formule: O2 (%) gecorrigeerd = O2 x (P/101.3)
Voeren we deze correctie uit (gebaseerd op de initieel gemeten luchtdruk) dan
vinden verwachten we een zuurstofgehalteconcentratie van: 20.2 * 103.8/101.3 = 20.7%
Gemeten hebben we echter 20.4%. De standaarddeviatie van die drie metingen is echter 0.9%. Hetgeen weer betekent dat het verschil t.o.v. de werkelijke waarde niet significant is. Om de nauwkeurigheid op te voeren zouden we het experiment veel vaker moeten uitvoeren met vers staalwol.
Blijven we over met de vraag waarom het herhalen van het experiment met hetzelfde staalwol lagere waarde oplevert. Een mogelijkheid is dat als men het met azijnzuur behandelde niet goed gedroogd wordt bestaat de mogelijkheid dat waterstofgas gegenereerd wordt door de reactie van staalwol met een overmaat aan zuur. De trend dat hoe "ouder" het staalwol des te minder zuurstof wordt er geconsumeerd uiteindelijke resulterende in de curve van Exp 11, is hier echter niet mee in overeenstemming (Exp 10, niet getoond, gaf exact dezelfde curve). Als het alleen waterstofproduktie was dan zou je geen verouderingseffect verwachten. Wat waarschijnlijk een grotere rol speelt is de beschikbare hoeveelheid geëtst staaloppervlak. Bij elke herhaling oxideren we een gedeelte van dat oppervlak weg totdat het hele buitenoppervlak met een oxide laag bedekt is. Dat betekent niet dat de oxidatie (roestvorming) stopt. In tegenstelling tot bij bv aluminium vormt een ijzeroxide laag geen bescherming tegen verdere oxidatie. De zuurstofmoleculen moeten dan echter wel door een oxide laagje heen diffunderen. En dat kost tijd, de reactie verloopt dan veel langzamer.
Kinetiek
De wiskundige en chemische onderbouwing van de gebruikte formules kan men vinden in achtergrondinformatie.
In gas fase reacties geeft men de compositie term in de snelheidsvergelijking vaak weer in partieeldruk van de reagerende componenten. Voor de analyse kan men deze echter beter in concentraties omzetten. Hiervoor gebruiken we de ideale gaswet (Z~1 voor lucht):
PA = CA.R.T
P in atm (1 atm = 101.325 kPa), C in mol/l, R = 0.082 l.atm/mol.K, T in K.
Passen we dan eerst de integrale methode toe op EXP 1 dan krijgen we:
![]() |
![]() |
![]() |
De analyse geeft aan de we met
eerste orde kinetiek te maken hebben.
k = e-9.6755 = 6.3.10-5 h-1 = 1.7.10-8 s-1. |
![]() |
Volgens de differentiële methode:
De resultaten van de differentiële methode wijken sterk of van die verkregen met de integrale methode. Het probleem met de differentiële methode is echter dat die alleen maar toepasbaar is wanneer de reactiecondities zodanig zijn dat de snelheid een functie is van de concentratie van slechts een reactant (Hier: O2). |
| Als dat zo is dan zou het herhalen van het
experiment met dezelfde staalwol dezelfde resultaten opleveren. De grafiek
waarin alle meetresultaten zijn samengevoegd laat echter zien dat dat niet
zo is. Deze methode levert in dit geval waarschijnlijk geen betrouwbare
resultaten op.
Dit gegeven is echter wel een aanwijzing dat we niet met een zuivere 1ste orde reactie kinetiek te maken hebben maar met pseudo-1ste orde kinetiek. Vreemd genoeg wordt in het artikel van Gordon dat over de kinetiek van de ijzeroxidatie gaat geen enkele waarde van k vermeld. Plotten we nu alle experiment als 1ste orde kinetiek exp. dan verkrijgen we onderstaande curves. |
|
|
|
![]() |
| We
zien dar zeker in het initiele gebied alle experimenten met uitzondering
van EXP 9 1ste orde kinetiek volgen. Waarom dit experiment geen 1ste orde kinetiek
gevolgd heeft is niet duidelijk. ALs men wat langer gemeten heeft treedt
scatter in de data op. Dit is een rekenkudig fenomeen, het verschil tussen
twee drukmetingen is niet significant meer hetgeen zich vertaald naar
scatter.
Beperken we ons nu tot de experimenten met de verse staalwol en in het initiële deel van EXP 1 en EXP 4, dan krijgen we onderstaande grafiek: |
|
![]() |
EXP 1:
k = e-9.9361 = 4.8.10-5 h-1 = 1.3.10-8 s-1. EXP 4: k = e-10.649 = 2.4.10-5 h-1 = 6.5.10-9 s-1. Een redelijke overeenkomst tussen deze metingen.
|
| Zoals hierboven reeds geponeerd is speelt de beschikbare hoeveelheid geëtst staaloppervlak waarschijnlijk een grote rol hetgeen ook impliceert dat het geen zuivere 1ste orde reactie is, waardoor men de variatie in de herhalingsexperimenten kan verklaren. | |
Conclusies:
Het gemeten zuurstofgehalte is 20.4 vol% (sd 0.9%, n = 3) hetgeen niet significant afwijkt van de verwachte waarde van 20.7 vol%.
Door de integrale methode toe te passen kan men bepalen dat de oxidatiereactie een pseudo-1ste orde reactiekinetiek volgt.
Opmerkingen:
Literatuur:
Relevante websites:
Minder relevante websites:
Achtergrondinformatie:
|
Chemische samenstelling van normale
omgevingslucht (in vol% droge lucht)
In de tabel wordt de chemische samenstelling van droge lucht gegeven. Lucht bevat echter ook waterdamp en de hoeveelheid daarvan wordt voornamelijk bepaald door de temperatuur. Normaal gesproken bevat lucht waterdamp, die ongeveer 1% van het volume van het totale mengsel beslaat. |
||||||||
| Stikstof (N2) | 78.09% | |||||||
| Zuurstof (O2) | 20.94% | |||||||
| Argon (Ar) | 0.93% | |||||||
| Koolstofdioxide (CO2) | 0.03% | |||||||
| Neon (Ne) | 0.0018% | |||||||
| Helium (He) | 0.00022% | |||||||
| Methaan (CH4) | 0.00022% | |||||||
| Krypton (Kr) | 0.00010% | |||||||
| Distikstofoxide (N2O) | 0.00010% | |||||||
| Waterstof (H2) | 0.00005% | |||||||
| Xenon (Xe) | 0.00008% | |||||||
Reactorkunde en kinetiek:In de reactorkunde hebben we
met de behoudswetten te maken, meer specifiek de wet van behoud van massa. Voor de stofbalans geldt dan in
woorden: (de toename per tijdseenheid
van de massa van een open systeem) = (massadebiet instroom) – (massadebiet
uitstroom) In formule:
Op grond van de deze wet van
behoud van massa kan men voor individuele componenten een component balans
opstellen. In woorden: Kortweg: Accumulatie = Input
– Output + Productie
Een massa balans kunnen we in
een mol balans omzetten door te delen door te delen door de molmassa van A.
FA is de mol flux We hebben in het experiment te
maken met een zgn batch reactor, een afgesloten systeem met constant volume,
hetgeen betekent dat er geen invoer of uitvoer plaatsvindt:
Om de reactiesnelheidsterm RA
te beschrijven maken we gebruik van de reactiekinetiek. Ra=-kCaaCbb
(mol/(m3.s)) Als a = b = 1:
1ste orde in A en 1ste orde in B, overall een 2de
orde reactie.
Aangezien V constant is:
Hetgeen voor een 1ste
orde reactie in een batchreactor betekent:
Analoog kunnen we afleiden dat
voor een irreversibele 0de orde reactie geldt:
En dat voor een irreversibele 2de
orde reactie geldt:
Door nu steeds deze relaties
grafisch uit te zetten en kijken of deze een rechte lijn opleveren kunnen we
bepalen met welke reactieorde we te maken hebben. Men spreekt dan van de
integrale methode. De reactiesnelheidsconstante k
is geen echte constante maar is wel onafhankelijk van de concentratie van de
reagerende componenten. Men refereert ook wel naar deze constante als de zgn.
specifiek reactie snelheid (s constante). Deze
constante is altijd sterk afhankelijk van de temperatuur. In gas fase reacties
is deze ook nog afhankelijk van de
katalysator en eventueel van de totaaldruk. Volgens Arrhenius wordt de
temperatuurafhankelijkheid van de reactie weergeven door de zgn Arrhenius
vergelijking:
Waarin: Om de Arrhenius vergelijking te kunnen gebruiken om de reactieconstante te bepalen is het noodzakelijk om het experiment bij verschillende temperaturen uit te voeren. In dit geval hebben we het experiment maar bij een temperatuur uitgevoerd. In een situatie waar de reactie
irreversibel is en de reactiesnelheid afhankelijk is van de concentratie van een
component kunnen we de zgn differentiële methode gebruiken waarbij we de
reactie bestuderen als een van de componenten in overmaat aanwezig is. Indien: Aà P Dan: Ra=-kCaa Hetgeen we analoog aan
hierboven kunnen omwerken naar:
Door deze vergelijking grafisch
uit te zetten kan men dus de reactiesnelheidsconstante en de orde van de reactie
bepalen. Om dit op een redelijk betrouwbare manier te kunnen doen kan men echter
alleen de initiële data gebruiken waarin A nog in overmaat aanwezig is. |
||||||||
26-03-2006