| Experimenten met zwavel | ![]() |
![]() |
Datum: april 2003
Principe:
Proefjes met zwavel.
Materiaal:
|
|
Uitvoering:
|
|
Resultaat:
![]() |
![]() |
| verwarmen | uitgieten |
![]() |
![]() |
| blussen | gestold |
![]() |
![]() |
| QX3-microscoop | pH papiertjes |
Discussie en conclusie:
Waarnemingen:
We nemen tijdens het verhitten kleurveranderingen waar van lichtgeel naar rood naar bijna zwart.
De zwavel wordt tijdens verhitten steeds visceuzer en ook zeer moeilijk uitgietbaar. Men moet het gehele pad verwarmen bij uitgieten.
Bij het verhitten ontstaat plastisch zwavel dat gemakkelijk kneedbaar is. (Dit is een onstabiele vorm van zwavel die langzamerhand terugkeert naar zijn oude vorm)
We zien aan de pH papiertjes dat de damp van het zwavel afkomt zuur is.
Zwavel brandt met een zuiver blauwe kleur.
Onder de microscoop kunnen we een duidelijk verschil in vorm zien tussen de oorspronkelijke en de gevormde zwavel.
Zwavel komt in twee modificaties voor (beiden S8). Beneden 95.5 °C rhombisch en boven deze temperatuur monoklien. Bij verhitting krijgen we de volgende verschijnselen:
|
![]() |
Naast rhombische en monokliene zwavel is er nog een derde metastabiele vorm. Deze ontstaat wanneer men de visceuze zwavel te snel afkoelt (bv door onderdompeling in water). De macromoleculen blijven dan bestaan en er ontstaat plastische zwavel die bij lang staan weer overgaat in rhombische zwavel.
De zwavelmoleculen kunnen met de zuurstof in de lucht reageren tot zwaveldioxide volgens:
S + O2 --> SO2
In water vormt het zwaveldioxide waterstofsulfiet volgens:
SO2 + 2H2O <=> HSO3- + H3O+
Er wordt dan zuur gevormd hetgeen dus de verklaring is waarom de pH papiertjes zuurvorming aangeven.
Opmerkingen:
De gebruikte reageerbuisjes zijn daarna voorgoed onbruikbaar. Men kan ook een oude lepel gebruiken.
De dampen die ontstaan zijn giftig, werk daarom in een goed geventileerde ruimte.
Literatuur:
Relevante websites:
Achtergrondinformatie:
| De "kroon" vorm van het S8 molecuul |
|
Het zwavelmolekuul bestaat uit een achtring in zigzag vorm hetgeen in overeenstemming is met de sp3-hybridisatie van de zwavelatomen. Fasetransitie (rhombisch naar monoklien) = 95.6°C Smeltpunt (monokliene zwavel) = 119°C Transitiewarmte (DHtr) = 0.361 kJ/mol Smeltwarmte (DHf) = 1.26 kJ/mol
|
| Typische vorm rhombische zwavel kristallen |
|
|
| Typische vorm monokliene zwavel kristallen |
|
Thermodynamische data voor beide fases bij 298K is:
|
Hf q |
Gf q |
S q |
n | ||
|
kJ/mol |
kJ/mol |
J/Kmol |
m3/mol |
||
|
S(s, rhombic) |
0 |
0 |
31.80 |
15.5 x 10-6 |
|
|
S(s, monoclinic) |
0.33 |
0.1 |
32.6 |
16.4 x 10-6 |
Zwavel komt zowel in zuivere vorm als in de vorm van mineralen voor. In mineralen treft men zwavel aan als sulfide of sulfaat, gebonden aan mineralen.
Zwavel is een bestanddeel van insecticiden. Bij het vulkaniseren van rubber mengt men natuurrubber met zwavel en andere stoffen. Door verhitten vormt de zwavel verbindingen tussen de macromoleculen waaruit natuurrubber bestaat. De rubber behoudt zijn elastische eigenschappen, maar keert tevens tot zijn oorspronkelijke vorm terug. Vulkaniseert men met veel zwavel (30%), dan is het verkregen product hard en niet elastisch. Men noemt dit product eboniet.
06-04-2003